Het begin …

Najaar 2009.

De Kennedybaan. Halverwege Moerbeke en Gent. Ter hoogte van Arcelor Mittal.
Achter glas leek het zomer. In het tegenlicht van de laaghangende zon kreeg het gebied aan mijn rechterkant de schoonheid van een karakterkop op een zwart-witfoto.
De stoom uit de schouwen klonterde samen tot een man op een paard, een omgekeerde bloempot, een beer met drie poten…
De nostalgie overviel me als een regenbui in maart.
Waar was de tijd van de wolkenfabriek?

Zomer 1989

Mijn dochter was zes en zat in de wat-waar-hoe- en waarom-fase.
‘Mama, waar komen de wolken vandaan?’
‘Die komen van over het water,’ zei ik.
‘Maar hoe komen ze daar?’
‘Van over een ander water.’
‘En hoe komen ze dáár?’
Er bestaan serieuze moeders en minder serieuze. Ik was een minder serieuze. ‘Wolken worden gemaakt in een fabriek,’ zei ik. ‘Zoals verf of stoelen of televisies. En dan gaan ze vliegen. Van water naar water.’
‘Een wolkenfabriek? Echt?’
‘Natuurlijk echt. Moeders mogen niet liegen, dat weet ge toch?’
Ze geloofde mij. In die tijd geloofde ze alles wat ik zei. Nu niet meer. Spijtig.
‘En waar staat die fabriek?’
Ik moest er niet eens over nadenken. ‘Iets buiten Gent,’ zei ik. ‘In de haven.’

 

Ze stond er echt. Ze staat er nog. Een wirwar van citernes, gebouwen en buizen. Met hoge schouwen die onwaarschijnlijke hoeveelheden witteluchtstolsels de lucht in blazen. Die fabriek heeft een naam, en ze maken er uiteraard ook andere dingen dan wolken, maar voor mij zal  het altijd de wolkenfabriek blijven.
Zo gaat dat met schrijvers. Ge ziet iets anders dan er staat, en ge weet dat ge iets anders ziet, maar ge wilt het beeld niet bijsturen, want dan kunt ge er niet meer zo schoon over schrijven.

Terug naar het najaar van 2009…

wolkenfabriek

Ik ben altijd een fan geweest van  het havengebied. Voor veel mensen is het een puist op het aangezicht van Gent. Voor mij is het magie. Altijd geweest.
Dat schone desolate. Het gebrom, gegons, gepiep en geknerp van kranen, machines , treinen en vrachtwagens. De verrassing wanneer tussen al die grauwe gebouwen ineens een schitterend wit schip opduikt. De lucht, de meeuwen, het water en het onkruid. Ik word er lyrisch van. Vooral bij open weer.
Het was die dag open weer. En op radio 1 zong Raymond van ’t Groenewoud een liedje over de liefde.
Toen wist ik het ineens. Ons volgende project werd een boek over leven, liefde en aanverwanten in Gent-Zeehaven.